Tijdens het Open Podium in Huis Midwoud op 4 juni dook ook een zelf geproclameerde schrijver/dichter op die zich nogal vereenzelvigde met Gerrit Achterberg. Los van de vraag of het slim jezelf te vergelijken met een dichtende psychopaat die een geschiedenis heeft vol mishandeling, moord en verkrachting, is het ook een voorbeeld dat als het om gedichten en de creatieve omgang met taal gaat hoge verwachtingen wekt. Achterberg speelde met taal, met de symboliek van woorden en had (bijna) altijd oog en oor voor het muzikale ritme van de zinnen. Al worstelde hij regelmatig met de eindigheid van de taal, hier en daar een verborgen ode aan de muziek opleverde. Zoals in het volgende gedicht:
Klankleer
Tussen de doodgordijnen bleven
al uw hoedanigheden achter:
de stomme voornaamwoorden, het verkrachte
lidwoord en de lege adjectieven.
Verbum en voegwoord drijven
in zeeën zonder oever.
Ik kan alleen nog klanken schrijven,
die geen grammatica behoeven.
O vele onomatopeeën,
die mij doorschreeuwen, uitroeptekens,
als bliksems slaande hun lidtekens
tegen de stof tussen ons tweeën.
Ik verdenk Achterberg er uiteraard van dat het wat wringende ritme in de laatste strofe opzet is, net als de dubbelzinnige ‘spelfout’ lidtekens. Alsof hij ons de eindigheid van taal en de kracht van pure klank aan den lijve wil laten ondervinden.
Toch gaat een van zijn mooiste ‘muziekgedichten’ in eerste instantie over het woord:
Woord
Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer.
Maar hiermee houdt het groeten aan, zozeer,
dat ik wel moet geloven, dat gij luistert;
zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor.
Een prachtige ode aan de stilte die woord en klank betekenis geeft.
Uit: Gerrit Achterberg – Verzamelde Gedichten
Singel Uitgeverijen, Amsterdam



