Campra’s Requiem op plaat: drie bijzondere opnamen

Wie André Campra’s Messe de Requiem voor het eerst hoort, merkt al snel dat dit een heel ander soort Requiem is dan dat van Mozart, Berlioz of Verdi. Geen opeenstapeling van dramatische contrasten en geen apocalyptische Dies irae, maar een ingetogen, Frans gekleurde dodenmis waarin helderheid, polyfonie en contemplatie centraal staan.

Juist daarom loont het de moeite om verschillende opnamen naast elkaar te leggen. Hoewel de discografie van Campra’s Messe de Requiem overzichtelijk is, laten de beschikbare uitvoeringen goed horen hoeveel interpretatieve ruimte deze muziek biedt.

Waarom zijn er zo weinig opnamen van Campra’s Requiem?

Vergeleken met de grote Requiems uit het repertoire is Campra’s Messe de Requiem maar beperkt op cd verschenen. Dat is opmerkelijk, want het werk heeft inmiddels een belangrijke plaats gekregen in de herontdekking van Campra en de Franse religieuze muziek van rond 1700.

De verklaring ligt deels in het repertoire zelf. Campra vraagt om een uitvoeringspraktijk die nauw aansluit bij de Franse barok: aandacht voor articulatie, vocale uitspraak, ritme, polyfone helderheid en de specifieke verhouding tussen stemmen en instrumenten. Voor gespecialiseerde ensembles is dat vertrouwd terrein, maar buiten de wereld van de oude muziek blijft dit repertoire relatief specialistisch.

Toch gaat de opnamegeschiedenis van het Requiem al enkele decennia terug. Er zijn onder meer vroege registraties onder Louis Frémaux met het Orchestre de chambre Jean-François Paillard, gevolgd door opnamen van Philippe Herreweghe en Hervé Niquet. In 2025 verscheen vervolgens een nieuwe registratie van William Christie met Les Arts Florissants.

Daarmee is de discografie klein, maar interessant: verschillende generaties van de historische uitvoeringspraktijk laten hun licht op hetzelfde werk schijnen.

Philippe Herreweghe: een vroege historische lezing

Een belangrijke opname is die van Philippe Herreweghe met La Chapelle Royale. De registratie werd in december 1986 gemaakt en verscheen in 1987 bij Harmonia Mundi.

Herreweghe speelde vanaf de jaren zeventig en tachtig een belangrijke rol in de ontwikkeling van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk. Zijn Campra-opname is daarom niet alleen interessant als uitvoering van het Requiem, maar ook als document van een periode waarin de Franse barok opnieuw werd ontdekt.

De klank verschilt merkbaar van de vaak zeer ruimtelijke en verfijnde producties van hedendaagse barokensembles. De stemmen staan dichter bij elkaar en de polyfone structuur krijgt daardoor een direct karakter. Vooral wanneer je aandachtig naar de afzonderlijke stemmen luistert, wordt duidelijk hoe zorgvuldig Campra zijn religieuze muziek opbouwt.

Herreweghe is daardoor interessant als kennismaking met een eerdere fase van de moderne historische uitvoeringspraktijk. Voor wie het werk al kent, biedt de opname vooral de mogelijkheid om te horen hoe anders Campra enkele decennia geleden werd benaderd.

Hervé Niquet: Franse barok met een uitgesproken karakter

Een andere belangrijke registratie is die van Hervé Niquet met Le Concert Spirituel. De opname werd in juni 1991 gemaakt in de Collégiale van Champeaux en verscheen in 1994 bij Adda.

Niquet heeft zich gedurende zijn carrière intensief toegelegd op Franse muziek uit de zeventiende en achttiende eeuw. Dat hoor je ook in Campra. De relatie tussen koor, solisten en instrumenten krijgt veel aandacht, waardoor de verschillende muzikale lagen goed van elkaar te onderscheiden zijn.

Juist het vergelijken van Niquet met Herreweghe is interessant. Dezelfde muziek krijgt een ander profiel door verschillen in tempo, articulatie, vocale kleur en de verhouding tussen koor en instrumenten. Campra’s muziek blijkt daardoor minder vastomlijnd dan je misschien zou verwachten.

Luister bijvoorbeeld naar het Kyrie. De smeekbede van de tekst staat er natuurlijk centraal, maar de polyfone beweging blijft voortdurend hoorbaar. Afhankelijk van de uitvoering kan die beweging licht en bijna dansant overkomen, of juist nadrukkelijk liturgisch en ingetogen.

William Christie: een nieuwe kijk op Campra

In 2025 verscheen een nieuwe opname van Campra’s Requiem door William Christie en Les Arts Florissants bij Pentatone, samen met het Miserere uit 1725-26.

De registratie is interessant omdat Christie en Les Arts Florissants Campra benaderen vanuit een uitvoeringspraktijk die diep geworteld is in de Franse barok. Er wordt gespeeld op historische instrumenten en ook de Franse traditie van uitspraak en articulatie krijgt veel aandacht.

Dat heeft direct invloed op de klank. De muziek krijgt ruimte, maar blijft helder. De afzonderlijke lijnen kunnen zich goed ontvouwen zonder dat het geheel zwaar wordt aangezet. Juist daardoor komt een karakter van Campra naar voren dat gemakkelijk verloren kan gaan wanneer je het Requiem uitsluitend als een voorloper van latere, dramatischer Requiems beluistert.

Christie laat Campra niet klinken als een componist die voortdurend naar een climax toewerkt. De spanning zit vaker in de beweging van de stemmen, in de articulatie van een frase en in de verhouding tussen rust en beweging.

De combinatie met het Miserere is bovendien interessant. Het Requiem dateert uit circa 1695, terwijl het Miserere uit 1725-26 stamt. Het album biedt daarmee niet alleen een uitvoering van het Requiem, maar ook een mogelijkheid om Campra’s religieuze muziek uit verschillende perioden naast elkaar te horen.

Wat hoor je als je de opnamen vergelijkt?

De interessantste verschillen tussen de opnamen zitten niet noodzakelijk in grote tempo- of bezettingsverschillen. Het zijn juist de kleine interpretatieve beslissingen die het karakter van de muziek veranderen.

Neem het Introit. De opening bepaalt onmiddellijk hoe een uitvoering zich ontwikkelt. Klinkt het koor zwaar en plechtig, of juist transparant? Hoe duidelijk hoor je de afzonderlijke stemmen? En hoeveel ruimte krijgen de instrumentale lijnen?

Ook het Kyrie is een goede vergelijking. Hier komen smeekbede en polyfone beweging samen. Een scherpe articulatie kan de muziek licht en beweeglijk maken, terwijl een meer gedragen benadering vooral het liturgische karakter benadrukt.

Het Offertoire biedt misschien nog meer ruimte voor vergelijking. Het is een omvangrijk deel waarin de uitvoerders spanning kunnen opbouwen zonder dat Campra daarvoor grote dramatische effecten nodig heeft. Luister naar de manier waarop koor en instrumenten elkaar aanvullen en hoe de verschillende stemmen in het geheel naar voren komen.

En dan is er het Agnus Dei. Hier wordt misschien wel het duidelijkst waarom Campra’s Requiem zo anders klinkt dan veel latere voorbeelden van het genre. De muziek zoekt niet naar een theatrale ontlading, maar naar verstilling en gebed.

Geen Dies irae: een andere dramaturgie

Een belangrijk verschil met veel bekende Requiems is dat Campra de traditionele Dies irae-sequentie niet heeft opgenomen.

Dat heeft grote gevolgen voor de dramaturgie. Bij veel latere Requiems vormt de Dies irae het dramatische centrum: de tekst over het Laatste Oordeel biedt componisten de mogelijkheid om met grote contrasten, krachtige ritmes en overweldigende klankmassa’s te werken.

Bij Campra ontbreekt dat middelpunt. De muziek beweegt daardoor minder naar een grote confrontatie met de dood en meer naar gebed, rust en berusting.

Dat verklaart ook waarom het Requiem aanvankelijk misschien minder spectaculair lijkt dan de bekende werken van Mozart of Verdi. Wie echter langer luistert, ontdekt dat de spanning vooral in de details zit: in de polyfonie, de articulatie en de manier waarop stemmen en instrumenten met elkaar verweven zijn.

Met welke opname begin je?

Wie Campra’s Messe de Requiem nog niet kent, kan goed beginnen met de recente opname van William Christie en Les Arts Florissants. De registratie biedt een actuele benadering van de Franse historische uitvoeringspraktijk en is bovendien uitgebracht samen met Campra’s Miserere.

Daarna is het interessant om Niquet en Herreweghe erbij te nemen. Niet om één opname tot winnaar uit te roepen, maar juist om te horen hoe verschillend dezelfde muziek kan klinken.

Een mooie luisterroute is daarom: eerst Christie, vervolgens Niquet en daarna Herreweghe.

Wie vooral geïnteresseerd is in de ontwikkeling van de historische uitvoeringspraktijk, kan natuurlijk ook in omgekeerde volgorde luisteren. Dan hoor je hoe de benadering van Franse barokmuziek in de loop van enkele decennia verandert.

Voor kenners: de details maken het verschil

Voor ervaren luisteraars zit de aantrekkingskracht van Campra’s Requiem vooral in de details.

Hoe wordt het Latijn uitgesproken? Hoe scherp zijn de medeklinkers? Hoe wordt de Franse barokke articulatie toegepast op religieuze muziek? Hoe groot klinkt het koor ten opzichte van de instrumenten? En hoeveel ruimte krijgt de polyfonie?

Juist op dat niveau worden de verschillen tussen de opnamen interessant.

Herreweghe laat horen hoe Campra werd benaderd in een vroege fase van de moderne historische uitvoeringspraktijk. Niquet vertegenwoordigt vervolgens een uitgesproken Franse specialistische traditie uit de jaren negentig. Christie voegt daar een recente visie aan toe van een ensemble dat al decennialang nauw verbonden is met het Franse barokrepertoire.

De drie opnamen zijn daardoor niet simpelweg uitwisselbaar. Samen laten ze horen hoe rijk de interpretatieve mogelijkheden van Campra’s muziek zijn.

Verder lezen over Campra

Wie meer wil weten over Campra, zijn Messe de Requiem en de bijzondere ontstaansgeschiedenis van het werk, kan verder lezen in ons eerdere artikel Campra’s Requiem in het Concertgebouw met Rousset en Talens. Daarin gaan we uitgebreider in op Campra en de achtergrond van zijn Requiem.

Facebook
Twitter

Laatste artikelen